Overweging

 

De leerlingen van Jezus hebben het moeilijk in de zware storm.

De boot dreigt te vergaan. En ze vragen zich boos en verontwaardigd

af waarom Jezus gewoon blijft doorslapen, zonder iets te doen.

 

Is dat niet de vraag die ons de laatste dagen allemaal heeft beziggehouden?

Waar blijft God nu? Als er dan al een God is, waarom laat hij dit dan gebeuren?

Waarom sterft een jonge vrouw in de bloei van haar leven, een man en

twee kinderen achterlatend? We zijn er boos over, we zijn verbijsterd en

verontwaardigd, teleurgesteld en onbegrip over dit onterechte gebeuren.

En dat zijn terechte emoties en gevoelens. We mógen die vragen stellen.

Al vele eeuwen lang stellen mensen die vragen: waarom is er lijden,

waarom sterven mensen? De bijbel staat vol van verhalen over mensen

die lijden en over mensen die sterven. Waarom?

 

Wanneer we op die manier over God spreken, moet ook ik het antwoord

schuldig blijven. Wij maken van God vaak een alles-kunner, een tovenaar

die leven en dood in zijn hand heeft. Maar is dat terecht?

Is dat een juist beeld van God? Ik denk het niet. God is geen alles-kunner,

geen wonderdokter. Ook Hij staat, om in beelden te spreken,

huilend hier tussen ons in. Ook God heeft het niet in handen.

Maar Hij is er wel, want dat is zijn naam: Ik-zal-er-zijn-voor-jou.

 

God is niet te ervaren in Marja die sterft, in het gezin dat achterblijft,

in de familie waar een lege plaats is. Maar waar is God dan?

Nu, concreet op dit moment? Waar is God in ons verdriet, in onze

teleurstelling? God is, zo kunnen we zeggen, herkenbaar in de vele

kaarten van medeleven, in de troostende woorden door de telefoon,

in de arm die om een schouder geslagen wordt, in de hand die op

een hoofd gelegd wordt. Al die mensen die elkaar nu tot troost zijn,

die vertegenwoordigen hier God. En als ergens God aanwezig is, dan

is het wel hier vanmiddag in deze kerk.

 

Maar daar krijgen we Marja niet mee terug. We krijgen haar nergens terug,

nooit meer. Ooit, ver in de toekomst, uiteindelijk, zullen we dat verlies

een plaats geven. Daar is het nu nog te vroeg voor.

De vragen die we hebben voeren de boventoon. En de antwoorden zijn niet

te vinden. Niet bij elkaar, niet bij God. Maar God zal, door middel van zijn

mensen, de weg wijzen, de weg naar een andere toekomst.

Want het sprookje is uit. Uiteindelijk zullen we ervaren dat er meer sprookjes zijn.

 

De leerlingen van Jezus vragen hem niet waarom hij het laat stormen.

Ze roepen hem ook niet met een vraag om iets te gaan doen.

Nee, ze maken hem wakker en hij is er. Hij is bij hen, in de angst en het ongeloof.

Hij leert de leerlingen ňm te gaan met dit natuurgeweld. Hij leert hen te vertrouwen

op God, die liefde is. Ook wij mogen vertrouwen op God, die liefde is.

De liefde tussen mensen zal het mogelijk maken om de band die we hebben

moeten verbreken, weer op te bouwen. Anders, maar wel intens; niet meer

lichamelijk, maar geestelijk. Maar die overgang heeft tijd nodig. Laten we elkaar

in die tussenliggende tijd, de ruimte geven om te verwerken wat er allemaal aan

ons gebeurt. Laat elkaar niet vallen; wees er voor elkaar, wees elkaar nabij.

 

Tranen kunnen we nu nog niet drogen, troost kunnen we nu nog nauwelijks bieden.

We hebben er geen woorden voor. Morgen zal anders zijn, want de morgen

waarop we gehoopt hadden zal nooit komen. Het zal altijd anders zijn.

In geloof, maar ook met verdriet nemen we afscheid.

 

Marja, jou moeten we loslaten. Daar kan geen mens meer iets aan doen.

Daar kan ook God niets aan doen. Jij hebt je kinderen, Max en Caitlin, geleerd

te vertrouwen, te vertrouwen op mensen, op God. Mogen wij die achterblijven

die les ter harte nemen.

Zodat we eens mogen en kunnen zeggen: het was goed om jou gekend te hebben.

 

Marja, vaarwel.